Verplicht varen voor Koningin en Vaderland.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bevonden zich talloze Nederlandse koopvaardijschepen in internationale wateren of in havens van de geallieerde bondgenoten. Op grond van de Vaarplicht werden koopvaardijbemanningen ter beschikking gesteld aan de geallieerde strijd, waardoor zij van de ene op de andere dag een soort frontsoldaten werden. Tot aan het einde van de Vaarplicht droegen de koopvaardijopvarenden bij aan de geallieerde oorlogsvoering door het verschepen van troepen, wapens, olie en andere grondstoffen onder de meest gevaarlijke omstandigheden. Vooral door de Duitse U-Boote werden veel Nederlandse schepen tot zinken gebracht. In totaal verloren 7000 zeelieden tijdens de oorlog het leven.
De Nederlandse zeelieden, die als stoker, matroos of officier betrokken waren bij verschillende militaire invasies, stonden bijna voorturend bloot aan de dreiging van Duitse en Japanse torpedo’s en bommenwerpers. Bovendien verkeerden zij jarenlang in onzekerheid over het lot van hun families in bezet Nederland. Om de bijzondere oorlogservaringen van de koopvaardijveteranen niet verloren te laten gaan, zijn met representanten van deze groep oorlogsgetuigen vraaggesprekken gevoerd. Talloze onderwerpen passeren de revue: de relaties met NSB-gezinde bemanningsleden, de angst en machteloosheid aan boord, en de gevolgen van de vijandelijke bombardementen. Sommige veteranen betreuren het dat na de oorlog nauwelijks officiële erkenning bestond voor het aandeel van de koopvaardij in de geallieerde overwinning.



